Nieuweveen: Ontginning, tuinbouw, veeteelt

Nieuweveen

Voor meer informatie over de parochie Christus Koning (de Bartholomeuskerk), klik op deze link.

H. Bartholomeuskerk

In de tweede helft van de 17e eeuw bouwde pastoor Nicolaes van Outshooren een kleine kerk met woning op het terrein waar nu de H. Bartholomeuskerk staat. Pastoor Petrus Kervel wist van de kerkmeesters gedaan te krijgen dat de kerk en de pastorie in 1804 werden gerestaureerd. Ook kon hij in 1816 een torentje met een luidklok realiseren. Die klok kreeg bij de wijding de naam ‘H. Bartholomeus’. In 1817 legde hij na veel tegenwerking een begraafplaats bij de kerk aan, zodat de parochie voor het eerst een eigen kerkhof had. Tot die tijd werden de  katholieke overledenen op het kerkhof aan de Dorpsstraat begraven.

Andreas Hofweegen (1790 – 1868), weldoener van de H. Bartholomeusparochie.

Andreas Hofweegen woonde aan de Veenweg tegenover de kerk. Op 45-jarige leeftijd werd hij kerkmeester, wat hij meer dan 25 jaar zou blijven. In 1865 – Hofweegen was toen 75 jaar – schonk hij de parochie zijn landerijen, hypotheken en obligaties om, zoals hij het schreef, “tog nog wat goes in de weereld naa te laaten”. De waarde daarvan bedroeg bijna f 50.000,-. Tegenover de schenkingen verplichtte Hofweegen de kerk om 50 jaar lang missen op te dragen voor het zielenheil van hem, van overleden leden van het kerkbestuur, armbestuur en zangkoor. Zijn familieleden – Hofweegen bleef ongehuwd – hebben nog geprobeerd die schenking ongedaan te maken, maar zonder succes. De schenking van ƒ 50.000,- maakte het de parochie mogelijk om een nieuwe kerk te gaan bouwen. Het kerkbestuur benaderde E.J. Margry als architect. Met de bouw werd eind 1868 een begin gemaakt achter het oude kleine kerkje met de pastoorswoning. De bouwsom bedroeg f 85.000. Na de aanbesteding duurde de bouw twee jaar.

De klok uit het oude kerkje werd in de nieuwe toren gehangen. Daarnaast kwam een tweede klok van 475 kilo met de naam ‘H. Maria zonder zonde ontvangen’.

De kerk werd op 24 juli 1871 plechtig ingewijd. Andreas Hofweegen mocht dat laatste niet meer meemaken. Hij overleed op 23 oktober 1868.

De drie huizen op het perceel ‘Kerkwijck’ tegenover de kerk behoren tot de oudste gebouwen aan de Veenweg. De twee huizen links zijn oorspronkelijk gebouwd als paarden- en koetsenstalling voor kerkgangers die van ver kwamen. Zij betaalden daar een jaarlijkse huur voor. Het huis rechts is gebouwd voor de koster van de H. Bartholomeuskerk. Deze gebouwen zijn ook een geschenk van Hofweegen.

De neogotische H. Bartholomeuskerk en de pastorie zijn een rijksmonument, Kerckwijck is een gemeentelijk monument (voor meer informatie over de kerk, klik hier, voor meer informatie over de pastorie, klik hier en voor meer informatie over de Kerckwijck, klik hier).

Mariabeeld

Het Mariabeeld op het plein voor de kerk dateert uit 1954. Het beeld is een geschenk van de Nootdorpse katholieke bevolking aan pastoor A. Heijdeman voor zijn 45-jarig priesterschap. Het beeld is een in Brugge gemaakte kopie van het ‘Onze Lieve Vrouwe der Armen’ in de Belgische bedevaartplaats Banneux.

Bij de inwijding van het beeld droeg burgemeester H. Schölvinck het beeld namens de parochie over aan de pastoor. Toen Heijdeman het woord nam, gaf hij het beeld direct terug aan de parochie.

Nieuweveen

Het Nootdorps grondgebied was rond het jaar 1000 een groot hoogveengebied: nat, onbewoonbaar en onbegaanbaar. Het nog ongerepte veengebied werd mogelijk al in de 11e, maar zeker vanaf de 12e eeuw van meerdere kanten aangepakt: vanuit de kant van wat nu Leidschendam is, vanuit Rijswijk, Delft, Pijnacker en vanaf de kant van Zoetermeer. De veenwildernis ging letterlijk op de schop. Een van de eerste wegen, toen nog smalle voetpaden, was de huidige Veenweg. De weg werd aangelegd vanaf de Landscheiding bij Wilsveen, die gold als de scheiding tussen Delfland en Rijnland. Er ontstond een ontginningsas: het is het begin van een lintnederzetting, het gehucht Nyeuveen (Nieuweveen). Het veelal modderige zandpad werd in een akte uit 1281 aangeduid met de naam Noitdorper wech. In een akte van 6 november 1303 komt die naam weer voor, nu geschreven als Notorper wegh, de weg naar Nootdorp. Pas later wordt het zandpad aangeduid als Nieuweveense weg, de weg naar Nieuweveen. De huidige Veenweg met het omringende land behoorde eeuwenlang niet tot Nootdorp. In 1351 kreeg het gebied rond de Veenweg een eigen bestuur, genaamd het ambacht Nieuweveen. Veel later werd de naam afgekort tot Veenweg. In 1832 ging het ambacht Nieuweveen samen met Hoogeveen en Nootdorp en werd het de gemeente Nootdorp. Maar tot 1950 bleef het gebied op landkaarten nog steeds aangeduid met Nieuweveen.

Veel armoede

Het leven van de meeste bewoners van het veen was hard. Het boerenbedrijf was amper lonend en onzeker door veeziekten en tegenvallende oogsten. De meeste huizen (een stuk of 15) waren klein en de boerderijtjes langs de Veenweg werden gebouwd van hout, takken en leem met een rieten dak. De maaltijden bestonden voornamelijk uit brood, meelgerechten, grutten, aangevuld met wat vlees of vis en melkproducten (boter en kaas). Het veenwerk was in de lente en zomer arbeidsintensief. Het leven was hard: ze hadden “geen nerinck en off te leven, dan alleen slachturven”. Al werkten ze van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat, ze konden ternauwernood “hare huijsvrouwen ende kinderen den mont … up houden”. Uit een brief van 1560 blijkt dat er in Nootdorp “ontallicke veel schamele luijden (zijn), die gewoene (zijn) bij nacht ende dach heur coste te winnen met slachturven” en die om hun stukje veengrond “te bearbeijden ende daer uijt te slachturven … oick heur wijff ende kinderkens, oick zeer cleijn weesende, geheel employeren”. Kinderarbeid was gewoon. De sterke groei van de steden in de omgeving (Delft, Den Haag, Leiden) in de 15e tot 17e eeuw veroorzaakte een grote behoefte aan brandstof: turf. Tegen het jaar 1500 waren grote delen van het oorspronkelijke veen tot aan de grondwaterstand afgegraven (‘uitgedolven”). Omdat afgraven niet meer mogelijk was, ging men in de loop van de 16de eeuw over op de productie van baggerturf.

Het baggerturven

Bij het bagger- of slagturven werd het veenslik met een baggerbeugel vanuit het grondwater naar boven gehaald. De baggerbeugel was een soort schepnet aan een ijzeren beugel, die aan een kant was voorzien van een snijrand. Om een homogene slik te verkrijgen werd zo nodig eerst nog water bijgemengd. Het slik werd daarna verspreid op legakkers in eenheden van een ongeveer 4 bij 4 meter (roede) met een hoogte van ongeveer 30 cm (1 voet). Na een paar dagen werd het water uit het slik geperst door met planken onder de klompen, de zogenoemde treeborden, het slik te pletten. Als de laag turf goed plat was en niet meer scheurde, volgde het steken of stikken: met een scherpe schop werd de laag volgens standaardmaten (van de natte turfjes) doorgestoken zodat de turven werden gevormd. Daarna gingen de turven op stapels om weer verder te drogen. Dat moest zorgvuldig gebeuren met kieren tussen de turven zodat de wind er doorheen kon waaien. Over de stapel werd riet gedrapeerd zodat de turf bij regen droog bleef. Dit proces van verstapelen gebeurde meerdere malen. Pas na goede droging waren de turven klaar om verscheept en verkocht te worden op de markt. Deze gebaggerde turf werd zwarte turf genoemd, ter onderscheiding van de bruine ‘droog gestoken’ turf.

De economische druk om zoveel mogelijk veen te baggeren, leidde tot steeds smallere legakkers (ribben) en diepere trekgaten. Door golfslag en uitspoeling kalfden de legakkers steeds meer af: het klotsende water vrat in de weke veengrond, die daarop langzaam maar gestaag in het water verdween. Er ont­stonden steeds grotere waterplassen.

Het droogmalen

De drie gehuchten (Nieuweveen, Hoogeveen en Nootdorp) waren in 1800 grotendeels in water veranderd. Alleen de hoofdwegen met aanpalende erven bleven bestaan.

Bij Koninklijk Besluit van 14 januari 1840 werd een Commissie tot Droogmaking der Nootdorpsche plassen ingesteld. Ook werd de Commissie gemachtigd om ter dekking van de kosten van bedijking en droogmaking een bedrag van ƒ 300.000,- te lenen. Om de kosten verder te bestrijden werd een rijkssubsidie verleend van ƒ 100.000,-. Het zou de enige droogmaking in Delfland worden die een rijksbijdrage kreeg.

Vanaf 1843 maalden twee stoomgemalen Nootdorp, Hoogeveen en het gebied ten oosten van de Veenweg binnen één jaar droog. De uiteindelijke kosten bedroegen bijna ƒ 750.000,-. Maar het westelijk gedeelte, de Tedingerbroek, bleef een grote waterplas. Het droogpompen van dat deel van Nootdorp begon dertig jaar later in 1873.

Tuinbouw

Rond 1910 kwam de tuinbouw op. Het begon aan de oostelijke kant van de Veenweg, pas dertig jaar later gevolgd door de gebieden achter de Dorpsstraat, de Oudeweg, de Dwarskade en die ten westen van de Kortelandseweg. De reden lag voor een deel in de verdeling van de landbouwgrond onder de zonen na het terugtreden of overlijden van hun vader.

Eind jaren twintig gingen steeds meer boeren hun land opdelen om hun zonen een tuinbouwbedrijf te laten beginnen. Naast de boerderij werd een nieuwe woning gebouwd. Langs de Veenweg staan nog enkele van die woningen. De eerste tuinbouw in Nootdorp gebeurde onder plat glas en in onverwarmde warenhuizen. Groenten, vooral sla, andijvie en komkommers, waren de belangrijkste producten in de beginjaren.

Jarenlang brachten de tuinders hun groenten via de tocht langs de Veenweg en vervolgens het kanaal langs de Goolandweg naar de veiling ‘Veur en Omstreken’ (Leidschendam). Daarom waren er langs de Veenweg veel ophaalbruggen óf kwakels: bruggen die zo hoog waren dat de veilingschuit er onderdoor kon. De westelijke kant van de Veenweg bleef voornamelijk in gebruik voor weilanden.